afwezigheid


> absence


afwezigheid > absence [Dutch/English]

afwezigheid 
[αfʋe.zɪχhεit] (noun); absence

De toestand niet aanwezig te zijn bij een plaats of person en het niet bestaan of gebrek van iets. Het word afwezigheid stamt via het laat middel Engels en het oud Frans af van het Latijnse woord absentia, van absens. De afwezigheid van iets kan iets anders aanwezig maken. Het kan tot de verbeelding van het publiek spreken door hen actief te laten reconstrueren wat er ontbreekt in de voorstelling, of in een bepaalde handeling. Heiner Goebbels bespreekt de relatie tussen afwezigheid en performance kunst in zijn essay Aesthetics of Absence
.

Afwezigheid kan worden gezien als het afwezig zijn van de acteur in het middelpunt van de aandacht en specifieker de scheiding van de stem van de acteur en zijn lichaam. Dit kan ook betekenen dat de theatrale handeling zich niet op het toneel afspeelt, maar temidden van het publiek of in hun hoofd. 

Zoals de voorstelling  All that fall
 door Pan Pan naar Samuel Becketts hoorspel. De acteurs zijn niet fysiek op het toneel aanwezig en het publiek hoort alleen hun stem. Alsof zij kunnen ervaren wat er in het hoofd van de acteurs omgaat of in hun eigen hoofd.

Er is een scheiding tussen de stem van de acteur en zijn lichaam en hierdoor is er geen centrale focus. De afwezigheid van het acteur op het toneel geeft het publiek ruimte voor verbeelding omdat het stuk zich richt op het waarnemen van geluid. Het enige wat ze kunnen zien is de reactie van de andere toeschouwers wat zorgt voor een andere theatrale sfeer.  

Aanwezigheid die waargenomen wordt door afwezigheid is paradoxaal genoeg altijd aanwezig en afwezigheid waargenomen door aanwezigheid is altijd afwezig.

Bepaalde vormen van afwezigheid kunnen in de podiumkunst een andere, actievere rol van de toeschouwer vragen. Hiermee bedoel ik dat de mate waarin de toeschouwer bereid is om een stuk te ontdekken bepaalt hoe hij het stuk zal ervaren. 

 

Auteur en vertaler: Muriel Ramuz